| Samenvatting: | In het voorwoord van mijn boek over Cuba, " Het woord bij de daad", schreef ik in 1968 dat het land van jaar tot jaar verandert en er dus steeds wat nieuws valt te vertellen. Dat bleek meteen al in 1969, toen ik er terugkwam. Het was stiller geworden in Havanna, donkerder 's avonds, alles nog schaarser, de rijen voor de winkels nog langer. Nu, mei 1971, ben ik samenvattend van mening, dat er ongetwijfeld ingrijpende veranderingen aan de gang zijn op Cuba, maar niet, dat dit een ontwikkeling is van Fidel tot Stalin. Wel misschien van Che Guevara tot Carlos Rafael Rodriguez. En in zekere zin is deze laatste net zo een symbool als Che, maar op een andere manier: dat van de taaie partijkommunist, die alles overleeft. Tot het schrijven van een opera zal hij niemand inspireren (hoewel - waarom eigenlijk niet?), maar onder de gegeven omstandigheden is de opkomst van een bekwaam en nuchter organisator misschien nog het beste. Want waardoor komt zijn toegenomen invloed? Dat komt door de Russen. En waardoor komt de russische invloed? Dat komt door de amerikanen. Daarmee ben ik terug bij mijn uitgangspunt. Sinds de Varkensbaai zijn het steeds weer de amerikanen, die de ontwikkeling op Cuba frustreren door hun onafgebroken dreiging, ingrijpen en blokkade. En als wij onze mond willen opendoen, of nog meer dan dat willen doen, dan zal dat tegen hen moeten zijn, steeds weer, en tegen hun nederlandse zetbazen. Harry Mulisch, Amsterdam, mei 1971.  |